Roadtrip door West Ierland en County Kerry

Roadtrip door West Ierland en County Kerry

In dit reisverslag lees je alles over onze roadtrip door West-Ierland en County Kerry, met stops bij onder meer de Cliffs of Moher, Dingle, Skellig Michael en Killarney National Park. Zoek je een mooie reisroute door Zuidwest- en West-Ierland, dan vind je hier volop inspiratie en praktische stops.

Uitzicht op de MacGillycuddy's Reeks in County Kerry, Ierland
De MacGillycuddy’s Reeks
  • Duur roadtrip: 5 dagen
  • Regio: West-Ierland en County Kerry
  • Startpunt: Shannon Airport
  • Vervoer: huurauto
  • Hoogtepunten: Cliffs of Moher, Dingle, Skellig Michael en Killarney National Park

Onze route door West-Ierland

Terug naar inhoudsopgave

Als het weer het toelaat, willen we eerst even naar de Cliffs of Moher gaan en eventueel de Aran Islands aandoen. De Cliffs zijn erg spectaculair, maar in 2005 stonden we hier in de regen en mist en konden we nauwelijks het water zien. Het was nu oktober en dan verwacht je aan de Ierse kust ook een westerstorm met regen, maar de weersvoorspellingen bleken dit keer uitzonderlijk goed te zijn. Ik vertik het dan ook om enige vorm van regenkleding of een paraplu mee te nemen.

Routekaart van de roadtrip door West-Ierland en County Kerry
De route

Wij vlogen vanaf Düsseldorf Weeze in 1,45 uur met Ryanair naar Shannon Airport.

Dag 1 – Doolin, Cliffs of Moher en Tralee

Terug naar inhoudsopgave

De vlucht vertrok gisteravond om 22.00 uur en met het uur tijdsverschil stonden we na 23.00 uur plaatselijke tijd bij de Hertz-balie om onze auto op te pikken. Voor deze eerste nacht hebben we een bed and breakfast gereserveerd in Ennis, zo’n 20 kilometer noordelijker. Op verzoek nemen we twee Duitse liftsters mee die bij de buren van de B&B in de tuin gaan kamperen; ook zij willen richting Doolin. Ze hoeven ’s nachts niet meer rond te dwalen. Rond twaalf uur komen we bij de B&B aan, waarna ons niets anders rest dan pitten.

Ontbijten en gaan

Eerst genieten we nog van een full Irish breakfast. Onze liftsters van gisteravond hebben geluk en mogen binnen opwarmen onder het genot van een bak thee en wat muesli. Daarna maken we ons op voor de roadtrip richting Doolin.

Route van dag 1 van de roadtrip door Ierland
De route

Lahinch

Het dreigt even regenachtig te worden, maar naarmate we Lahinch naderen trekt de lucht blauw open en zien we pas thuis in Nederland weer regenwolken. We stoppen even in Lahinch en genieten van de wilde branding. Het is vloed en het brede zandstrand staat helemaal onder water. De surfers vermaken zich prima.

Ruïne bij Lahinch aan de westkust van Ierland
Lahinch, ruïne

We stoppen op weg naar Doolin even bij de ruïne van Lahinch en rijden dan via de Cliffs of Moher verder naar Doolin.

Geen Aran Islands

Volgens internet gaan de boten vanuit Doolin Pier naar de Aran Islands om 10.30 uur, maar als we om 10.10 uur op de kade aankomen, zijn de boten net vertrokken. Waardeloos dus: vertrektijd 10.00 uur!

Balen, want het is zulk mooi weer om de eilanden te bezoeken en een ATB’tje te huren. We gaan 1 kilometer terug naar Broadfort en drinken daar nog wat.

Cliffs of Moher

Vervolgens stappen we weer in de auto om de Cliffs of Moher maar eens uitvoerig te bezoeken. De Cliffs zijn met ruim 200 meter de hoogste van Europa. We parkeren op de parkeerplaats waar het oude bezoekerscentrum stond en waar nu een nieuw, uitgebreid complex in de berg is weggestopt. Esthetisch veel mooier, maar ik kom toch voor de Cliffs en niet voor het bezoekerscentrum. Ook het parkeertarief is gemakshalve verdubbeld van 4 naar 8 euro.

Rotskust bij Doolin aan de westkust van Ierland
Doolin, de rotskust

In plaats van het pad rechts te volgen naar O’Brien’s Tower gaan we links, zodat we uitzicht hebben op de klip waarop de toren staat. De lichtval is hier ook veel beter en levert erg mooie foto’s op. Aan het eind van het pad staan wat waarschuwingsborden en nadat we die gepasseerd zijn, wordt het zicht alleen maar mooier. Het blijft natuurlijk oppassen, want elk jaar lazeren er weer toeristen om wat voor reden dan ook naar beneden.

Cliffs of Moher met uitzicht ten westen van O'Brien's Tower
Cliffs of Moher: zicht westelijk van de O’Briens toren

Na genoten te hebben van het prachtige uitzicht, de blauwe lucht en het warme weer (jas uit), lopen we terug. We lopen nog even naar de toren, maar ook zonder regen en mist is het hier niet zo mooi als aan de andere kant. Je hebt wel een weids uitzicht over de Cliffs, maar tegen het zonlicht in is dat uitzicht minder fraai.

Via de Shannon River naar Tralee

We kopen nog wat in het winkeltje en maken ons op voor de trip naar Tralee. We volgen de kustroute via Lahinch en Milltown Malbay richting Kilrush. Het landschap is niet heel indrukwekkend. Kilrush is een aardig stadje, maar we rijden door naar Killimer waar we de veerboot over de Shannon River pakken. De oversteek (15 euro) is altijd wel leuk, maar het uitzicht is niet zo denderend. Aan beide zijden van de oevers bevindt zich een energiecentrale. Verderop, op weg naar Tralee, val ik bijna in slaap. Gelukkig ben ik niet de chauffeur.

Tralee

Als we in Tralee aankomen, krijgen we de indruk in een echte stad te zijn: te veel verkeer en aardig groot. Zonder enige moeite vinden we een aantal B&B’s op de uitvalsweg naar Ardfert en op loopafstand van het centrum.

Ardfert

Na wat gerust te hebben rijden we naar Ardfert om de kathedraal te bekijken. Hiervan is het dak ooit verwoest en is het, om wat voor reden dan ook, nooit meer hersteld. Een zijbeuk is wel hersteld en nog in gebruik. Een bruidspaar maakt er foto’s. Zelfs het kerkhof met redelijk verse graven is overwoekerd, hetgeen weinig respect toont voor de nabestaanden. Men is wel bezig een kapelletje op te knappen.

Dan rijden we verder naar Fenit, waar een pier naar een rotspunt in Tralee Bay loopt. Schijnbaar is hier genoeg diepgang, want de haven toont veel bedrijvigheid. Er is vroeger zelfs een spoorlijn naartoe gelegd. We zien een zeehondje in de haven zwemmen dat zich tegoed doet aan het visafval. Op de rotspunt staat een monument voor de zeelui. Er staat ook een soort altaar bij, dus hier zullen wel missen worden opgedragen. De zonsondergang lijkt mooi te worden, maar uiteindelijk valt het tegen.

Zicht over Tralee Bay bij avondlicht
Tralee Bay

We rijden terug naar Tralee. Het centrum is oersaai; met pijn en moeite vinden we een pizzatent. Voor een gezellig biertje met live muziek ben je hier op vrijdagavond ook op de verkeerde plek, dus tegen 22.00 uur liggen we op bed.

Dag 2 – Connor Pass, Slea Head Drive en Dingle

Terug naar inhoudsopgave

Routekaart van dag 2 door Dingle Peninsula en omgeving
Route dag 2

Zaterdag 29 september. Als ik ’s ochtends uit het raam kijk, zie ik een strakblauwe lucht met aan de horizon nog wat nevelflarden tegen de berghellingen van de Slieve Mish Mountains. Dat is maar goed ook, want een beetje helder weer is toch wel prettig als je bijvoorbeeld de Connor Pass over wilt.

Na ons ontbijtje gaan we weer op pad om Dingle te verkennen. Ik heb een route in mijn hoofd, maar met het mooie weer zullen we vaker de auto uit gaan, dus blijft er uiteindelijk minder tijd over om meters te maken. We moeten toch keuzes maken.

De witte molen van Blennerville

We kachelen eerst maar eens over de N84 aan de noordkant van Dingle en stoppen direct even op het bruggetje over de Lee bij Blennerville, een paar kilometer van Tralee. Er staat hier een witte molen, niet bijzonder, maar het levert een prachtig plaatje op.

De witte molen van Blennerville bij Tralee
De witte molen van Blennerville

We vervolgen onze route en verbazen ons andermaal over de snelheidsbeperkingen: 80 km/u op smalle weggetjes en 100 km/u op de iets bredere N-wegen. In Camp blijven we de N84 even bergop volgen voor een viewpoint over Tralee Bay. Vanaf hier draaien we weer om, terug naar Camp, om de noordelijke kustroute verder te volgen.

Trá Chill Chuimín

Als we in de buurt van Brandon Bay zijn, pakken we een weggetje rechtsaf naar het strand. We rijden een duinenrij tegemoet en kunnen zowat het strand op rijden, maar ja, we hebben geen four-wheel drive. Het is eb en een breed leeg strand ligt aan onze voeten. In ons land bijna ondenkbaar; er is altijd wel iemand op het strand of er staan van die lelijke strandtenten. Maar hier heb je alle ruimte en is alles ongerept. De jas kan uit, want de zon begint al aardig warmte te produceren. Als het global-warmingeffect doorzet, wordt dit in ieder geval een nieuwe Costa.

Strand van Trá Chill Chuimín op Dingle Peninsula
Trá Chill Chuimín

Het is overigens zo dat het klimaat hier erg mild is. Overal groeien palmachtige planten. De invloed van de warme oceaanstroom zorgt voor een echt zeeklimaat. Ook schijnt hier in het westen de zon vaker dan in het binnenland. Nadat we genoeg hadden van het gebanjer door het zand, maakten we ons op voor de Connor Pass richting Dingle.

Connor Pass

Ik weet niet exact wat me te wachten staat; de meeste reisverslagen melden mist op de pas. Dat zat er voor ons gelukkig niet in, maar de wolken roeren zich wel boven de toppen, dus een geheel blauwe lucht was ook voor ons niet weggelegd. Het uitzicht is prachtig en vooral het laatste stuk van de tocht tot aan de top moet een crime zijn om in het hoogseizoen te berijden. De weg is erg smal en de passing places zijn krap. De bergflank is door gebrek aan zonlicht groen van mos en andere vochtminnende begroeiing.

De top van de pas ligt op 456 meter hoogte en de omringende bergen zijn nog zo’n 200 meter hoger. Op de top is een parkeerplaats vanwaar je nog een stukje omhoog kunt wandelen. Een bord, zoals we dat uit de Alpen kennen, met “Connor Pass 456 m” vind je hier niet, ondanks dat het toch een toeristische trekpleister is. De weg naar beneden is breed en daalt geleidelijk af naar Dingle met uitzicht over Dingle Bay en aan de horizon Iveragh.

Uitzicht op de Connor Pass in Ierland
De Connor Pass

Slea Head Drive

Het is nog vroeg, dus rijden we Dingle voorbij om eerst de Slea Head Drive te rijden en daarna in de middag in het kleurrijke, toeristische stadje te lunchen. De Slea Head Drive is het rondje over de R559, een mooie kustweg die over het meest westelijke puntje van Ierland loopt.

Dunbeg Fort

We stoppen bij Dunbeg Fort, een oude nederzetting uit 500 voor Christus. Ik moet zeggen: het uitzicht vond ik mooier dan de stapel stenen. Er zit natuurlijk een heel verhaal aan vast, mooi gepresenteerd met een audiovisuele presentatie, maar het weer is te mooi om binnen te gaan zitten.

We rijden verder naar Slea Head met zicht op de Blasket Islands, Iveragh en de Skelligs en vervolgens langs Dunmore Head.

Clogher Head

Bij Clogher Head stoppen we voor een wandeling naar de top van de rotspunt in zee. Prachtig zijn hier de hagelwitte zandstrandjes die zich tussen de rotspartijen gevormd hebben. Na onze wandeling begint onze maag flink te rammelen en zorgen we dat we zo snel mogelijk in Dingle komen.

Uitzicht vanaf Clogher Head over de kust van Ierland
Uitzicht vanaf Clogher Head

Dingle

Dingle is een mooi plaatsje, maar oh zo jammer dat al het verkeer er dwars doorheen moet. Er komen hier zoveel toeristen dat een mooie winkelstraat niet zou misstaan. We gaan eerst even naar het toeristenbureau om onze Skellig-trip van morgen te reserveren; er mogen immers maar 100 personen per dag naar de Skelligs, dus reserveren is een must.

Dan zoeken we een pub met bar meals. De tosti wordt hier stevig geserveerd met friet en salade. Oude vissers uit het dorp zitten naast ons te eten, van wie enkelen al menige Guinness weggewerkt hebben. Een oud mannetje neemt twee happen van zijn bord om vervolgens weg te dutten. De rest lacht daar weer om. Als onze buik vol zit, maken we ons op voor de tocht naar Waterville op Iveragh.

De Ballaghasheen Pass en de MacGillycuddy’s Reeks

Het is nog zeker 100 kilometer rijden, dus houden we de vaart er goed in. We willen via de Ballaghasheen Pass rijden. In Killorglin nemen we de afslag naar Glencar, maar bereiken na enige tijd Beaufort. De doorgaande route ging de verkeerde kant op en dus hadden we een afslag gemist. Na wat gezoek weten we toch binnendoor naar de pas toe te rijden. De weg ligt aan de voet van de MacGillycuddy’s Reeks met de hoogste bergtop van Ierland, Carrauntoohil, met 1.038 meter. Noordelijk van de pas liggen Coomacarrea en Colly, uitlopers van de MacGillycuddy’s Reeks.

Uitzicht vanaf de Ballaghasheen Pass op de MacGillycuddy's Reeks
Uitzicht vanaf de Ballaghasheen Pass op de MacGillycuddy’s Reeks

Het veengebied is prachtig en desolaat; er zijn mooie vergezichten met de bergen op de achtergrond. Aan de achterzijde van de pas wordt het gebied bosrijker en komt langzaam weer wat bebouwing tevoorschijn. De weg wordt weer breder nadat we nog even door een flinke kuil gereden zijn.

Waterville en Charley Chaplin

Tegen het einde van de middag bereiken we Waterville en zoeken een B&B. Landschappelijk ligt Waterville niet echt bijzonder. Mondaine badplaatsen kent men hier niet, ook niet als Charley Chaplin hier een vaste bezoeker was.

Het is zaterdagavond, maar het uitgaansleven komt niet op gang, dus liggen we na een paar pints weer op tijd op bed. Dat is maar goed ook, want morgen moeten we de zee op en dan is het wel zo prettig om een beetje fris te zijn als we de boot op gaan.

Dag 3 – Skellig Michael en Killarney

Terug naar inhoudsopgave

Routekaart van dag 3 langs Skellig Michael en naar Killarney
De route

De Skellig-eilanden

Vandaag hebben we iets bijzonders op het programma staan: een bezoek aan de Skellig-eilanden. Ik had ooit een documentaire gezien over de Skelligs, twee eilanden ver buiten de kust van Kerry in de Atlantische Oceaan. De eilanden doemen vanaf het vasteland als mysterieuze rotspunten op aan de horizon. Skellig Michael is een steile, driehoekige rotspunt met bovenop een eeuwenoud kloostertje en een broedplaats voor papegaaiduikers.

Zelfs heden ten dage is het eiland nog moeilijk toegankelijk, laat staan eeuwen geleden met roeibootjes. En als je dan toch vaste voet aan wal weet te zetten, zul je eerst nog de “stairway to heaven” moeten beklimmen: een stevige klim voor mensen zonder hoogtevrees. Vanaf Skellig Michael kun je dan genieten van het prachtige uitzicht op Little Skellig en het vasteland. Natuurlijk kun je ook een kijkje nemen in de oude bolle onderkomens en langs de graven van het klooster wandelen.

Haven van Portmagee in County Kerry
Portmagee en de bay

Reserveren voor Skellig Michael

Gisteren kregen we bij het tourist office in Dingle een briefje met tien telefoonnummers van “maatschappijtjes” die op de Skelligs mogen varen. Dus we kiezen maar een nummer en reserveren voor twee personen. Er is nog plaats, dus onze naam mag op de lijst. We moeten ’s morgens vroeg nog wel even bellen of de weersomstandigheden het toelaten om de zee op te gaan. Het is immers een boottocht van 12 kilometer in een klein bootje op volle zee, laat staan dat ze aan kunnen meren. Alle bootjes vertrekken vanuit Portmagee. De zee is rustig, dus vanuit Waterville rijden we ’s morgens naar Portmagee.

Op naar Skellig Michael

Zoals eerder vermeld zijn de Skellig-eilanden een rotsachtig groepje van twee eilandjes ten westen van Ierland en onderdeel van County Kerry. De naam komt uit het Iers en betekent letterlijk rotsachtige eilanden. Little Skellig is beroemd vanwege de populatie jan-van-genten en papegaaiduikers. Verder staat er een klooster uit de 6e eeuw op de top (230 meter) van Great Skellig, oftewel Skellig Michael. Het staat op de UNESCO-werelderfgoedlijst. Het kleinere eiland Little Skellig ligt 1,5 kilometer ten oosten van Great Skellig en is niet toegankelijk voor publiek.

Little Skellig en Skellig Michael voor de kust van Ierland
Little Skellig Skellig Michael

De Skelligs zijn vanaf de kust goed zichtbaar. Vanuit Waterville, vanaf de Ring of Skellig en zelfs vanaf Slea Head op Dingle pronken de rotspunten mysterieus aan de horizon. Juist dat mysterieuze karakter, de bereikbaarheid en het natuurschoon trekken ons naar de eilanden.

Inchecken op zijn Iers…

Als we rond 10 uur in Portmagee aankomen, is er al de nodige opschudding op de kade. We worden tegengehouden door een schipper die onze naam en maatschappij wil weten. De truc is namelijk dat alle passagiers over de bootjes verdeeld worden, zodat elke schipper evenveel verdient. Daardoor maakt het dus niet uit bij wie je reserveert. Overigens zijn alle bootjes even groot en krakkemikkig. Waarom dan niet één centraal reserveringsnummer? Maar goed, er is nog tijd zat voor een bak koffie, dus duiken we even de pub in. Tegen 10.30 uur gaan we naar ons bootje en zien we wat typische toeristen met bevende benen aan boord klimmen.

De boot wordt gestart, allemaal even 40 euro neertellen, en dan varen we als laatste de haven uit. Als we bijna op volle zee zijn, krijgt onze “kapitein” een belletje: er staan nog drie liefhebbers op de kade en dat is toch 3 x 40 euro, dus draait hij weer om. We zetten de klok weer op nul en maken ons opnieuw op voor drie kwartier op zee. Als we weer op volle zee zijn, wordt er doorgevaren en begint de deining van de zee de gemoederen bezig te houden.

Klein bootje naar Skellig Michael
Ons bootje

Veel hoger dan 2 meter zijn de golven niet, maar met zo’n klein bootje gaat het toch aardig op en neer. In de verte zien we de Skelligs als kleine rotspuntjes aan de horizon dichterbij komen. Direct in het oog springt Little Skellig, dat helemaal wit kleurt door de enorme hoeveelheid vogelsporen. Little Skellig ligt als eerste op de route, maar die passeren we over rechts om eerst naar Skellig Michael te gaan.

Naarmate we dichterbij de rotspunt komen, wordt deze steeds indrukwekkender. De rotswanden zijn steiler dan 45 graden en het klooster ligt vlak onder de top. Het gaat dus een hele klim worden. Maar eerst maar eens aanmeren. Een echte haven is er niet, maar wel een kleine kade met een trappetje in een kloof in de luwte van de westelijke winden. We meren aan en klimmen over het glibberige trapje omhoog naar een plateau. Als iedereen van boord is, keert het bootje terug naar volle zee. We krijgen 1,45 uur voor het bezoek. De zee dreigt in de middag wilder te worden, zegt-ie.

Skellig Michael vanaf zee gezien

Het eerste deel van het pad gaat vlak langs de rotswand omhoog tot aan een helidek dat op veilige hoogte ligt. De golven kunnen hier tot 25 meter hoogte tegen de rotsen opslaan. Als je ziet hoe de golfslag is bij windstil weer, kun je je wel iets voorstellen van een stormpje.

De “stairway to heaven”

Voorbij het helidek beginnen de oude trappetjes: de “stairway to heaven”. Glibberig, steil en zonder leuningwerk. Menig bezoeker heeft last van angst en een soort hoogtevrees, zeker als je je omdraait en naar beneden kijkt. Het pad draait op een gegeven moment over een richel verder omhoog. Nu zien we de klippen aan de achterzijde van het eiland. Het klimmetje bezorgt ons het nodige zweet op de rug.

De rotspunt is begroeid met gras en lage struikjes. Hier zijn nu eens geen schapen. Uit deze begroeiing steken scherpe rotspunten naar buiten. De papegaaiduikers zijn al vertrokken naar het zuiden. We klimmen verder en dan ineens staan we voor een doorgangetje: de ingang van de nederzetting.

Erg groot is het klooster niet. Iedereen loopt hier rond te springen op zoek naar zijn Kodak-momentje. Het klooster bestaat uit een stuk of drie donkere bolvormige kamers. Er is een kerkhofje en nog wat muurtjes. Het uitzicht op Little Skellig en het vasteland is prachtig. Omdat wij wat later op het eiland kwamen, gaan de eerste bezoekers alweer naar beneden en blijven we praktisch alleen over. We kunnen in ieder geval foto’s maken zonder vreemde mensen erop. Ton checkt even of hij ontvangst heeft op zijn mobiel en jawel: er wordt even een fotootje ge-sms’t.

Uitzicht vanaf Skellig Michael op Little Skellig met graven op de voorgrond
Boven op Skellig Michael met zicht op Little Skellig
Little Skellig gezien vanaf Skellig Michael met voorgrond van rotsen en gras

Ook dan beginnen wij weer aan de afdaling. We halen al snel een paar dames in die met knikkende knieën stap voor stap naar beneden gaan. Na nog wat foto’s gemaakt te hebben, komen wij weer op de kade waar de zee inderdaad iets wilder is. Je kunt je afvragen hoe ze hier met plotselinge weersveranderingen omgaan. Wordt dan de heli gebeld? En waarom hoef je op de boot geen reddingsvest aan? Ach ja, er gebeuren een paar ongelukken en een en ander wordt aan banden gelegd. Maar goed, als wij instappen, wordt de boot alle kanten op geschud en als iedereen aan boord is, wordt hij gauw in zijn achteruit gezet om weer op volle zee te komen. We varen nu naar Little Skellig om dit eiland via de andere zijde te passeren.

Prachtig om te zien hoe ieder plekje door een vogel is bezet. Het gesteente is erg grillig, met veel kloven, punten en doorkijkjes. Aan de luwzijde wordt de motor een standje lager gezet, zodat we ook het enorme lawaai van de vogels kunnen horen. Ik zet gauw de capuchon op als de eerste vogelflatsen op de boot landen. Het is in ieder geval prachtig om te zien; je waant je in een natuurdocumentaire, ware het niet dat we zo langzamerhand misselijk zijn van de golven en vooral van de uitlaatdampen van de boot.

Little Skellig op de voorgrond met Skellig Michael op de achtergrond
Voorgrond: Het grillige Little Skellig, achtergrond Skellig Michael
Little Skellig vol zeevogels en witte vogelsporen
Het ondergescheten Little Skellig

Dan wordt de terugreis ingezet en tegen 15.00 uur zijn we weer terug in Portmagee. Wederom duiken we de pub in voor een pintje en wat te eten. Daarna rijden we door naar Killarney, op zo’n 60 kilometer afstand.

We rijden vanuit Portmagee de kustweg verder af, de zogenaamde Ring of Skellig. Landschappelijk niet extreem bijzonder, maar de route gaat wel langs steile klippen, waarvoor je overigens de auto uit moet om ze goed te aanschouwen. Telkens als we zicht op de oceaan hebben, zien we de Skelligs liggen.

Uiteindelijk zijn we weer terug in Waterville en rijden meteen verder naar de zuidkant van Iveragh volgens de Ring of Kerry. Daartoe moeten we eerst de Coomakesta Pass over, een bekende pas die op ons niet echt veel indruk maakt. We rijden door tot Sneem en volgen de borden Killarney en verlaten dan ook de ring. De weg R568 gaat landinwaarts verder en nadert langzaam weer de hoge toppen van de MacGillycuddy’s Reeks. Vlak bij de afslag naar de Gap of Dunloe stoppen we. Als je de Gap vanuit het zuiden wilt rijden, dan is deze afslag lastig te vinden; het staat namelijk niet op de borden. Waarschijnlijk willen ze dat iedereen de route vanuit het noorden rijdt, wat ook mooier is. Maar komt het niet uit, dan moet je de afslag Black Valley Hostel nemen; de weg loopt naar beneden en bij de splitsing rechtsaf.

Bergen langs de R568 in Kerry
Langs de R568 met zicht op de bergen…

Verderop komen we op een splitsing uit op de A71 bij Moll’s Gap, de pas rechtsaf richting Kenmare. Wij gaan linksaf en volgen de richting Killarney. Op enkele plaatsen langs de weg liggen autowrakken, waarschijnlijk bedoeld als waarschuwing. We komen uit bij Ladies’ View met uitzicht over het Upper Lake en een doorkijkje naar Killarney over Lough Leane. Het is wat heiig, dus kunnen we Killarney niet echt helder zien liggen. De natuur is hier overigens fantastisch.

Uitzicht vanaf Ladies' View in Killarney National Park
Ladies’ View

De hei staat in bloei en dichter bij Killarney woekert de rododendron als onderbegroeiing van de bossen. Alles is groen; er staan statige grote bomen. Kortom: hier kunnen we nog wel een leuke wandeling bedenken.

Upper Lake in Killarney National Park
Upper Lake

In Killarney vinden we vrij snel op een goede locatie een B&B. Het barst er werkelijk van. Killarney is erg toeristisch; het wemelt er van de senioren. Wij gaan ’s avonds de stad in om een hap te eten en misschien een leuk bandje te horen. Een hap eten is hier geen probleem, overal zijn alle soorten restaurants. Live muziek is ook geen probleem, alleen bestaan de bandjes uit twee personen en wordt er alleen traditional Irish music ten gehore gebracht. Wij missen de Irish Rovers, The Pogues en U2-achtige bands, maar ja, het publiek is er niet voor. Ook deze avond vinden we geen goede live muziek en wederom keren wij voor elven naar bed.

Dag 4 – Killarney National Park en Kenmare

Terug naar inhoudsopgave

Routekaart van dag 4 rond Killarney en Kenmare
De route

Vandaag hebben we een iets rustiger dagje. Niet te veel kilometers in de auto en hier en daar een wandeling. We starten de dag met een rit via de noordkant van de stad richting de Gap of Dunloe. Het is erg rustig op de route. Voordat we daadwerkelijk de pas gaan rijden, nemen we nog een zijweg naar de oever van Lough Leane.

Gap of Dunloe

Als we daarna richting deze toeristische route rijden, worden we aangehouden door een mannetje dat midden op de weg staat. Hij heeft een koetsje en wil ons met zijn knollenkar de pas over rijden. Een eind verderop zien we bij Kate Kearney’s Cottage weer een koetsenparkeerplaats. Dat is hier dé attractie: met een koetsje over de Gap rijden en dan terug wandelen, of andersom.

Voor ons geen optie; wij rijden hem gewoon en stoppen wanneer we willen. We zijn onderweg ook geen koets meer tegengekomen.

Gelukkig zijn de meeste toeristen thuisgebleven. Als je de Gap in rijdt, sta je ineens in een kloof met links en rechts een hoge bergkam. De linker bergkam heet Tomies Mountain en grenst aan Lough Leane, en de rechter, de MacGillycuddy’s Reeks, heeft met 1.040+ de hoogste bergtop van Ierland. Het is lichtbewolkt en de toppen raken de wolken. De weg is erg smal en het is dan ook prettig dat er geen verkeer is. We kunnen ook makkelijker stoppen als er geen achteropkomend verkeer is. We stoppen bij het meertje en lopen het sompige land in. Ondanks dat het al dagen droog is, blijft alles hier erg nattig. Typisch voor Ierland zijn ook hier de stenen boogbruggetjes te vinden. Ze zijn vaak erg oud en begroeid met mos, varens of klimop.

Landschap in de Gap of Dunloe
Gap of Dunloe

In de verte zien we de weg tussen de rotsen omhoog slingeren. Voordat we verder rijden stoppen we bij een vervallen huis. Ook daar barst het van in Ierland. Vaak staan er al volwassen bomen in het huis of groeit er een boom uit de goot. Als we de slingerweg gehad hebben, komen we op een vlakker deel waarna we aan het eind nog een paar scherpe haarspelden krijgen om ons over de top (500+) heen te tillen. Als we de pas over zijn, zakt de weg vrij snel naar beneden over lange rechte stukken langs vriendelijkere berghellingen.

Het landschap is weidser dan aan de andere zijde. Aan de linkerzijde ligt het gebied van Upper Lake en Killarney en rechts een recht dal met meren. De bewegwijzering is hier spaarzaam en we zoeken op de gok onze route. Onderaan de pas links aanhouden; je passeert een paar huizen en komt dan uit bij de zijweg richting Upper Lake.

Moll’s Gap

Je rijdt hier gewoon rechtdoor, al doet het karakter van de weg vermoeden dat hij doodloopt, maar uiteindelijk kom je weer in een open dal waarna je linksaf omhoog richting de R568 en Moll’s Gap kunt. Kortom: een erg mooie route en zeker de moeite waard.

Landschap tussen Moll's Gap en Kenmare
Tussen Moll’s Gap en Kenmare

Kenmare

We vervolgen onze route richting Kenmare. De lucht trekt open, waarschijnlijk door de invloed van het nabije open water. Kenmare is een typisch Iers stadje met kleurrijke aaneengeregen huisjes. Alles is er te koop en er is ruime keuze voor een lunch. Wij dachten eigenlijk dat Kenmare een havenstadje was zoals Dingle, maar helaas. Als we de buik weer vol hebben, rijden we terug naar Moll’s Gap.

Wil je verder naar het zuiden, lees dan het verslag: Zuid-West-Ierland met Glengarriff, Bantry, Mizen Head en de Healy Pass.

Muckross

Na Moll’s Gap volgen we de richting Killarney en stoppen bij Muckross voor een wandeling in Killarney National Park. Na wat wikken en wegen nemen we de route naar de Torc Waterfall, het rondje eromheen en dan weer terug. De route om Muckross Lake leek ons net iets te lang.

Kaart met wandelroutes in Killarney National Park
Killarney National Park, wij liepen de rode lijn

Muckross House is niet echt bijzonder, maar het park eromheen bevat wel een aantal indrukwekkende monumentale bomen. De herfstgloed rust over het bladerdek. De routes staan duidelijk aangegeven. We lopen afwisselend vlak, onder bomen, langs het water, bergop en natuurlijk weer bergaf. De watervallen zijn aardig, maar niet bijzonder, zeker omdat het al een tijdje niet geregend heeft. Het regent hier trouwens 200 dagen per jaar. Wat mij verbaast zijn de rododendrons die hier als onkruid groeien, van hele bomen tot struikjes als onderbegroeiing tussen de dennenbomen. Ik pik een paar stekjes mee om te kijken of ze thuis aanslaan.

Na de wandeling keren we voldaan terug naar Killarney, waar we onze buik rond eten bij een Indiaas curryrestaurant. De avond brengt ons wederom geen goede live muziek, maar wel een paar pints (0,7 liter) Heineken, dat hier overal naast Guinness en Carlsberg op de tap zit.

Dag 5 – Bunratty Castle & Folk Park en terugreis

Terug naar inhoudsopgave

Routekaart van dag 5 richting Shannon Airport
De route

Vandaag, dinsdag 2 oktober, alweer de laatste dag. We moeten aan het eind van de middag op Shannon Airport zijn en hebben dus nog een hele dag voor de boeg. Voor het gevoel is het wel prettig om rond 13.00 uur in de buurt van Limerick te zitten. Maar ’s ochtends blijven we nog even hier in Killarney en gaan we naar Ross Castle.

Ross Castle

Ross Castle ligt op een schiereilandje in Lough Leane. De maquette maakt duidelijk wat de functie en ontwikkeling van het kasteel in de verschillende periodes was. Nu is het een startpunt van boottochtjes over het meer, maar vanwege het off-season is er geen bedrijvigheid meer.

Ross Castle aan Lough Leane in Killarney
Ross Castle

Het kasteel is ook het beginpunt van de ‘mining trail’. Een wandeltocht van een kilometer of 4 naar alle uithoeken van het eilandje, langs alle historische plekken van de mijnbouw hier. We vroegen ons af wat er hier dan zo vlak aan het water gewonnen werd, maar het bleek koper te zijn. Verbazing alom als je bedenkt dat dat hier 4.000 jaar geleden al plaatsvond en daarmee de oudste kopermijn van West-Europa was. Kuilen, gaten, plassen en dammen zijn het bewijs van deze onmenselijke activiteiten onder de grond, beneden waterpeil, in rokerige hollen. De ‘mining trail’ leidt je langs een aantal restanten met hier en daar een maquette met uitleg. De begroeiing op het eilandje is ook erg mooi en afwisselend.

Impressie van de Mining Trail bij Lough Leane
Impressie van de Mining Trail – Lough Leane

Terug op de parkeerplaats maken we ons op voor de trip naar Limerick. We weten nog niet of we de stad aandoen of doorrijden naar Bunratty Castle & Folk Park. De weg naar Limerick is erg goed en breed. Grote stukken zijn vernieuwd. We stoppen halverwege voor een bakkie.

Adare

Als we door Adare rijden, stoppen we voor de prachtige oude authentieke cottages met rieten daken. Hier liggen er aan de poort van een landgoed een stuk of vijf op een rij. Verder in Ierland zie je ze niet heel veel.

Dan gaat de weg over in een snelweg, maar daar kunnen we niet heel lang van genieten, want we moeten richting Galway en dat is zo’n beetje dwars door de stad. Aan de rand van de stad wonen een aantal zigeuners praktisch op de vluchtstrook.

Bunratty Castle & Folk Park

We besluiten de stad niet aan te doen en rijden door naar Bunratty Castle & Folk Park. Het ligt aan de weg Limerick-Galway op zo’n 5 kilometer van het vliegveld. Het is te vergelijken met het Openluchtmuseum in Arnhem. Het park is tegen het gelijknamige kasteel aangebouwd. Bij het restaurant en de giftshop eten we eerst een broodje en gaan dan, na betaling van 14 euro, het park in. Door de tijdsdruk lopen we niet echt relaxed rond te kijken en gaan ook niet overal naar binnen. Het is wel erg leuk. Van kasteel tot allerlei boerderijtjes, een dorpje, een kerkje en een landhuis: er staat van alles. Er zijn ook een aantal figuranten ingezet, zoals een bromsnor en een leraar. Een echt aanradertje als je wat tijd moet doden voor je op het vliegtuig moet.

Naar huis

Maar ja, dan is het 16.00 uur en moeten we zo langzamerhand op weg naar het vliegveld. Daar mesten we de auto uit en leveren hem onbeschadigd in. We zijn mooi op tijd en hoeven niet achter in de rij aan te sluiten. Zonder vertraging verlaten wij Ierland en na 1,45 uur vliegen landen we lekker lomp maar veilig op Weeze/Niederrhein en kunnen we terugblikken op een geslaagde en mooie reis.

Deze roadtrip door West-Ierland en County Kerry was voor ons een ideale combinatie van ruige kust, bergpassen, natuur en bijzondere bezienswaardigheden. Vooral de Cliffs of Moher, Skellig Michael en Killarney National Park maakten deze route onvergetelijk.

Meer Ierland en Verenigd Koninkrijk:

Reisverslagen Ierland:
Midden & West Ierland | West Ierland & County Kerry | Noord Ierland | Het ruige zuidwesten